Inhalatiemedicatie via een tracheacanule • Zuster-055
Inhalatiemedicatie via een tracheacanule

Inhalatiemedicatie via een tracheacanule

Deze blog legt uit hoe inhalatiemedicatie veilig via een tracheacanule wordt toegediend. Je leest welke hulpmiddelen nodig zijn en waarop jij als zorgverlener vóór, tijdens en na de inhalatie moeten letten.

Inhalatiemedicatie via een tracheacanule: zo bereikt het medicijn de longen

Inhalatiemedicatie wordt meestal via de mond ingeademd. Maar wat gebeurt er als iemand vooral ademt via een tracheacanule? Dan moet het medicijn in veel gevallen via de opening in de hals worden gegeven. Dat vraagt om andere materialen en een aangepaste werkwijze.

In deze blog leggen we uit wat een tracheacanule is, waarom iemand deze krijgt en hoe inhalatiemedicatie werkt. Daarna bespreken we uitgebreid hoe jij als zorgverlener medicatie via een tracheacanule kunt toedienen.

Belangrijk: deze blog geeft algemene vakinformatie. Het voorschrift van de arts, het lokale protocol, de gebruiksaanwijzing van het hulpmiddel en afspraken met het team blijven altijd leidend. Laat beslissingen over de cuff, beademing en aanpassing van zuurstof alleen uitvoeren door een bevoegde en bekwame zorgprofessional.

Wat is een tracheacanule?

Een tracheacanule is een gebogen buisje dat via de hals in de luchtpijp wordt geplaatst. De medische naam voor de luchtpijp is trachea. De opening in de hals heet een tracheostoma. De ingreep waarbij deze opening wordt gemaakt, heet een tracheotomie of tracheostomie.

Door de canule kan lucht direct naar de luchtpijp en de longen stromen. De lucht gaat dan geheel of gedeeltelijk niet meer door de neus, mond en keel. Dit maakt ademhalen mogelijk als de normale luchtweg geblokkeerd is. De canule kan ook worden aangesloten op een beademingsmachine.

De bovenste luchtweg heeft normaal belangrijke functies. De neus en mond verwarmen, bevochtigen en filteren de ingeademde lucht. Bij ademhaling via een tracheacanule worden deze functies gedeeltelijk overgeslagen. Daardoor kan het slijm in de luchtpijp sneller dik en taai worden. Goede bevochtiging van de lucht is daarom een belangrijk onderdeel van de zorg.

Een tracheacanule is niet hetzelfde als een laryngectomastoma. Bij een tracheostoma kan er soms nog een verbinding bestaan tussen de longen en de mond en neus. Bij een totale laryngectomie is de luchtweg blijvend losgemaakt van mond en neus. Iemand met een laryngectomie ademt altijd volledig via de hals. Dit verschil is belangrijk bij zuurstof en inhalatiemedicatie.

Wanneer krijgt iemand een tracheacanule?

Een tracheacanule kan tijdelijk of blijvend nodig zijn. Er zijn verschillende redenen voor het plaatsen van een canule.

Een blokkade van de bovenste luchtweg: Een zwelling, tumor, verwonding of ernstige vernauwing kan de luchtweg in de keel blokkeren. Via het tracheostoma krijgt de lucht een nieuwe route naar de longen.

Langdurige beademing: Iemand die langere tijd kunstmatig moet worden beademd, kan een tracheacanule krijgen. Een canule is bij langdurige beademing vaak beter te verdragen dan een beademingsbuis via de mond. Soms is minder sedatie nodig en kan het afbouwen van de beademing makkelijker verlopen.

Problemen met ophoesten: Door spierzwakte, een neurologische aandoening of ernstig hersenletsel kan iemand onvoldoende kracht hebben om slijm op te hoesten. Via de canule kunnen zorgprofessionals slijm uitzuigen. Dat heet tracheaal uitzuigen of suctioneren.

Problemen met slikken en bescherming van de luchtweg: Bij ernstige slikproblemen kan speeksel, drinken of voeding in de luchtweg terechtkomen. Een tracheacanule kan onderdeel zijn van de behandeling. Een cuff kan de kans op grote hoeveelheden materiaal in de lagere luchtweg mogelijk beperken, maar voorkomt aspiratie niet volledig. De cuff ligt namelijk onder de stembanden. Materiaal dat boven de cuff komt, kan langs de cuff lekken.

Na een operatie of trauma: Na een operatie aan hoofd, hals of strottenhoofd kan tijdelijk een veilige luchtweg nodig zijn. Ook na ernstig letsel aan gezicht of hals kan een tracheacanule worden geplaatst.

Een tracheacanule wordt verwijderd zodra iemand deze niet meer nodig heeft. Dit heet decanuleren. Richtlijnen adviseren om het afbouwen en decanuleren volgens een vast protocol en binnen een multidisciplinair team te doen (Mussa et al., 2021).

Waaruit bestaat een tracheacanule?

Niet iedere tracheacanule is hetzelfde. Er zijn verschillende merken, maten en modellen. Toch hebben veel canules de volgende onderdelen.

De buitencanule: De buitencanule is het deel dat in de luchtpijp blijft zitten. Dit deel houdt het tracheostoma open. Aan de buitenkant zit meestal een gestandaardiseerde aansluiting. Hierop kunnen bijvoorbeeld een kunstneus, spreekklep, beademingsslang, voorzetkamer of vernevelaar worden aangesloten.

De binnencanule: Veel tracheacanules hebben een uitneembare binnencanule. Hierin kan slijm achterblijven. De binnencanule kan volgens voorschrift worden verwijderd, gereinigd of vervangen.

Een verstopte binnencanule kan de ademhaling ernstig belemmeren. Controleer daarom vóór inhalatie of de canule vrij doorgankelijk is. Verwijder de binnencanule tijdens inhalatie niet zonder dat het gebruikte systeem en het lokale protocol dit toestaan.

De halsplaat: De halsplaat, ook wel flens genoemd, ligt tegen de hals. Met een canuleband wordt de canule op zijn plaats gehouden. Op de halsplaat staan vaak de maat, het type en de fabrikant.

De cuff: Sommige canules hebben aan het uiteinde een opblaasbaar ballonnetje: de cuff. Een gevulde cuff sluit de ruimte tussen canule en luchtpijp grotendeels af. Dit kan nodig zijn bij beademing of bij een groot risico op lekkage.

De cuff wordt via een dun slangetje en een controleballon gevuld. De cuffdruk moet met een manometer worden gemeten. Een te hoge druk kan het slijmvlies beschadigen. Een te lage druk kan voor luchtlekkage zorgen.

De cuff mag nooit alleen voor inhalatiemedicatie worden gevuld of geleegd zonder een individuele beoordeling en een opdracht binnen het zorgplan. Bij een spreekklep moet de cuff in principe volledig leeg zijn en moet uitademing via de bovenste luchtweg mogelijk zijn. Een gevulde cuff samen met een verkeerd geplaatste spreekklep kan de uitademing blokkeren en is levensgevaarlijk.

De obturator: De obturator is een geleider die bij het inbrengen of wisselen van sommige canules wordt gebruikt. Na het inbrengen wordt deze direct verwijderd. De patiënt kan niet normaal ademen wanneer de obturator nog in de canule zit.

Extra hulpmiddelen

Afhankelijk van de situatie worden onder andere gebruikt:

  • een kunstneus of warmte- en vochtwisselaar, ook HME genoemd;
  • een spreekklep;
  • een tracheostomiemasker;
  • een T-stuk;
  • een voorzetkamer;
  • zuurstof- of beademingsmateriaal;
  • een uitzuigsysteem.

Wat is inhalatiemedicatie?

Inhalatiemedicatie is medicatie die als kleine druppels of deeltjes wordt ingeademd. Deze wolk heet een aerosol. Het doel is meestal om het medicijn rechtstreeks in de luchtwegen en longen te brengen.

Een voordeel is dat het medicijn dicht bij de plaats van werking komt. Vaak is daardoor een lagere dosis nodig dan bij tabletten of injecties. Ook kunnen sommige medicijnen sneller werken. De werkelijke longdosis hangt wel sterk af van de inhalator, de techniek, het ademhalingspatroon en de toestand van de luchtwegen.

Wanneer wordt inhalatiemedicatie voorgeschreven?

Inhalatiemedicatie wordt onder meer gebruikt bij:

  • astma;
  • COPD;
  • bronchospasme of piepende ademhaling;
  • cystische fibrose;
  • bepaalde luchtweginfecties;
  • taai slijm, als hiervoor een geschikt middel is voorgeschreven;
  • sommige vormen van pulmonale hypertensie;
  • patiënten met een tracheacanule die ook een long- of luchtwegaandoening hebben.

Belangrijke groepen zijn:

Luchtwegverwijders. Middelen zoals salbutamol en ipratropium ontspannen de spieren rond de luchtwegen. Daardoor worden de luchtwegen wijder.

Inhalatiecorticosteroïden. Deze middelen remmen ontsteking in de luchtwegen. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt bij astma en bij bepaalde patiënten met COPD.

Combinatiemiddelen. Deze bevatten twee of drie verschillende stoffen, bijvoorbeeld een langwerkende luchtwegverwijder en een corticosteroïd.

Antibiotica. Sommige antibiotica kunnen worden verneveld, bijvoorbeeld bij specifieke chronische infecties. Dit gebeurt alleen op voorschrift en vraagt aandacht voor blootstelling van medewerkers en omstanders.

Slijmbeïnvloedende middelen. Soms wordt een middel voorgeschreven dat slijm dunner maakt of de afvoer ondersteunt. Fysiologisch zout voor bevochtiging is niet automatisch hetzelfde als medicatie. Gebruik uitsluitend de voorgeschreven vloeistof en concentratie.

Welke inhalatiesystemen zijn er?

Dosisaerosol: Een dosisaerosol, ook pMDI genoemd, geeft bij iedere druk op het spuitbusje een afgemeten dosis. De wolk komt snel vrij. Zonder hulpstuk moet de patiënt het indrukken en inademen goed op elkaar afstemmen.

Een voorzetkamer houdt het medicijn kort vast. Daardoor is minder coördinatie nodig en komen grotere deeltjes minder snel in mond en keel terecht. Voor toediening via een tracheacanule is een passende voorzetkamer met een geschikte canuleaansluiting nodig.

Poederinhalator: Bij een poederinhalator trekt de patiënt het medicijn door een krachtige inademing uit het apparaat. De patiënt moet daarvoor voldoende inspiratoire flow kunnen maken.

Een gewone poederinhalator is meestal niet rechtstreeks op een tracheacanule aan te sluiten. Bovendien zijn neus en mond bij volledige ademhaling via het tracheostoma geen betrouwbare route naar de longen. Gebruik een poederinhalator bij deze patiënten daarom alleen als een arts, apotheker of inhalatiespecialist heeft vastgesteld dat dit apparaat en deze route geschikt zijn.

Soft-mist-inhalator: Een soft-mist-inhalator maakt een langzamer bewegende fijne nevel. Ook hierbij zijn een goede aansluiting en passende techniek nodig. Niet elk apparaat kan veilig of effectief via een tracheacanule worden gebruikt.

Vernevelaar: Een vernevelaar maakt gedurende enkele minuten een aerosol uit vloeibare medicatie. Er bestaan onder meer jetvernevelaars en meshvernevelaars.

Een jetvernevelaar gebruikt een gasstroom. Een meshvernevelaar duwt de vloeistof door een zeer fijn trillend membraan. Onderzoek in modellen laat zien dat het type vernevelaar, de gasstroom, de plaats in het systeem en het gekozen verbindingsstuk veel invloed hebben op de dosis die de long bereikt (Ari et al., 2016; Li et al., 2024; Kropp et al., 2026).

Hoe werkt inhaleren via de mond?

De precieze techniek verschilt per inhalator. Daarom moet je als zorgverlener altijd de gebruiksaanwijzing volgen en het protocol binnen jouw zorgorganisatie volgen, veelal VILANS.

Bij een gewone dosisaerosol bestaat de techniek meestal uit de volgende stappen:

  1. Controleer het juiste medicijn, de dosis, de patiënt en het tijdstip.
  2. Verwijder het beschermkapje en controleer het mondstuk.
  3. Schud de inhalator als de gebruiksaanwijzing dit voorschrijft.
  4. Laat de patiënt rustig en zo ver mogelijk uitademen, maar niet in het apparaat.
  5. Zet het pufje op de voorzetkamer.
  6. Plaats het mondstuk van de voorzetkamer tussen de tanden en sluit de lippen eromheen.
  7. Laat de patiënt langzaam en diep inademen. Druk tegelijk één keer op het spuitbusje.
  8. Laat de patiënt de adem, als dat lukt, ongeveer vijf tot tien seconden vasthouden.
  9. Laat rustig uitademen.
  10. Wacht tussen twee pufjes zolang de gebruiksaanwijzing voorschrijft.
  11. Laat na een inhalatiecorticosteroïd de mond spoelen en het water uitspugen.

De GOLD-richtlijn benadrukt dat keuze en effect van een inhalator afhankelijk zijn van onder andere coördinatie, inspiratoire kracht en het vermogen om langzaam en diep in te ademen. De techniek moet worden gecontroleerd voordat wordt besloten dat een medicijn onvoldoende werkt (Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease, 2024).

Waarom is inhaleren via een tracheacanule anders?

Bij ademhaling via een tracheacanule komt de lucht direct in de luchtpijp. De normale route door mond, keel en strottenhoofd wordt geheel of gedeeltelijk overgeslagen.

Als de meeste lucht via het tracheostoma naar binnen gaat, bereikt medicatie uit een mondstuk of gezichtsmasker de longen mogelijk onvoldoende. Het medicijn moet dan via de canule worden toegediend.

De canule beïnvloedt ook de aerosol. Een deel van het medicijn kan neerslaan in:

  • de voorzetkamer;
  • slangen en verbindingsstukken;
  • de binnen- of buitencanule;
  • een HME;
  • het beademingscircuit.

De hoeveelheid die de long bereikt, hangt onder meer af van:

  • het type inhalator of vernevelaar;
  • de diameter en lengte van de canule;
  • de aanwezigheid en stand van een cuff;
  • een binnencanule;
  • de ademfrequentie en het ademvolume;
  • slijm in de canule;
  • de aansluiting op de canule;
  • bevochtiging en condens;
  • zuurstof- of luchtflow;
  • spontane ademhaling of beademing;
  • lekkage via mond, neus of rond de canule.

Daarom bestaat er niet één ideale opstelling voor iedere patiënt.

Inhalatiemedicatie via de tracheacanule: voorbereiding

Controleer de opdracht: Controleer het medicijn, de dosis, het tijdstip, de toedieningsroute en het apparaat. Kijk ook of het middel mag worden verneveld of via een dosisaerosol mag worden gegeven. Niet iedere vloeistof is geschikt voor iedere vernevelaar. Controleer bij twijfel de afspraak met arts, apotheker, longverpleegkundige of respiratoir therapeut. Pas de voorgeschreven dosis niet zelf aan omdat mogelijk medicijn in het systeem achterblijft.

Beoordeel de patiënt: Let vóór de inhalatie op:

  • ademfrequentie en ademarbeid;
  • kleur en bewustzijn;
  • zuurstofsaturatie, als monitoring is afgesproken;
  • hoorbare slijmgeluiden;
  • doorgankelijkheid van de canule;
  • hoestkracht;
  • hoeveelheid en dikte van het slijm;
  • type canule en maat;
  • cuffstatus;
  • spontane ademhaling of beademing;
  • gebruik van zuurstof;
  • aanwezigheid van HME of spreekklep.

Leg aan de patiënt uit wat er gaat gebeuren. Zet de patiënt zo mogelijk rechtop. Een ontspannen houding helpt bij rustig en diep ademhalen.

Maak de luchtweg zo nodig vrij: Zuig niet automatisch uit voor iedere inhalatie. Beoordeel eerst of er een klinische reden is, zoals zichtbare of hoorbaar slijm, toenemende ademarbeid, een zaagtandpatroon in de beademingscurve of een verminderde saturatie.

Als uitzuigen nodig is, volg dan het lokale protocol. Onnodig of te diep uitzuigen kan hoesten, beschadiging, zuurstofdaling en ongemak veroorzaken.

Controleer het materiaal: Gebruik een combinatie van inhalator, voorzetkamer, adapter, T-stuk of tracheostomiemasker die voor dit doel geschikt is. Zelfgemaakte verbindingen en niet-gevalideerde slangen kunnen de dosis sterk veranderen.

Verwijder een HME tijdens de aerosoltoediening wanneer het systeem niet speciaal voor inhalatie door de HME heen is ontworpen. Een HME kan aerosol opvangen, nat worden of verstopt raken. Volg altijd de gebruiksaanwijzing. Plaats na afloop een schoon en droog geschikt hulpmiddel terug.

Een spreekklep wordt meestal verwijderd wanneer medicatie rechtstreeks via de canule wordt gegeven. Verander de cuffstatus echter niet zonder bevoegdheid, individuele beoordeling en vastgelegde afspraak.

Toediening met een dosisaerosol en voorzetkamer

Een dosisaerosol mag niet zonder geschikt hulpstuk rechtstreeks in de opening van de canule worden gespoten. Een groot deel van het medicijn kan dan in de canule neerslaan. Ook is de timing moeilijk.

Een algemene werkwijze bij een spontaan ademende patiënt is:

  1. Voer handhygiëne uit en verzamel de materialen.
  2. Controleer medicijn, dosis, vervaldatum en voorschrift.
  3. Zet de patiënt rechtop en controleer de canule.
  4. Verwijder of omzeil de HME volgens protocol en gebruiksaanwijzing.
  5. Sluit een geschikte voorzetkamer goed aan op de 15-mm-aansluiting van de canule.
  6. Schud en bereid de dosisaerosol volgens de gebruiksaanwijzing.
  7. Vraag de patiënt rustig uit te ademen.
  8. Spuit één dosis in de voorzetkamer.
  9. Laat de patiënt langzaam en diep via de canule inademen.
  10. Laat de patiënt de adem kort vasthouden als dit veilig en haalbaar is.
  11. Als diep inademen niet mogelijk is, laat de patiënt volgens het protocol meerdere rustige ademteugen via de voorzetkamer nemen.
  12. Geef volgende pufjes één voor één. Houd de voorgeschreven tijd tussen de doses aan.
  13. Verwijder de voorzetkamer en herstel de oorspronkelijke veilige opstelling.
  14. Controleer het effect en mogelijke bijwerkingen.
  15. Reinig de voorzetkamer volgens de instructies van de fabrikant.

Bij een inhalatiecorticosteroïd kan medicijn rond het stoma of in de bovenste luchtweg terechtkomen. Bespreek in het zorgplan of mondzorg, spoelen en huidreiniging nodig zijn. Bij volledige toediening via een cuffed canule bereikt weinig medicijn de mond, maar goede mondzorg blijft belangrijk.

Bevochtiging is geen inhalatiemedicatie

Omdat neus en mond worden overgeslagen, is goede bevochtiging belangrijk. Een HME vangt warmte en vocht uit de uitgeademde lucht op en geeft een deel daarvan bij de volgende inademing terug. Actieve bevochtiging gebruikt een verwarmde bevochtiger.

Bevochtiging helpt tegen uitdroging en taai slijm, maar is niet automatisch een medicamenteuze behandeling. Voeg nooit zelf medicatie, kraanwater of etherische olie toe aan een bevochtigingssysteem.

Een HME kan door slijm of vloeistof verstopt raken. Controleer de ademweerstand en vervang het hulpmiddel volgens protocol. Onderzoek laat zien dat een HME de luchtwegconditie kan verbeteren, maar ook dat niet ieder type geschikt is bij veel of zeer dik slijm (Shikani et al., 2023).

Controle van het effect en mogelijke bijwerkingen

Observeer tijdens en na de inhalatie:

  • wordt de ademhaling rustiger?
  • neemt het piepen af?
  • kan de patiënt beter ophoesten?
  • verandert de zuurstofsaturatie?
  • blijft de canule vrij?
  • ontstaat er meer slijm?
  • krijgt de patiënt hartkloppingen, trillen of onrust?
  • ontstaat er juist meer benauwdheid?
  • zijn er tekenen van een allergische reactie?

Salbutamol kan bijvoorbeeld trillen, hartkloppingen en een snelle hartslag veroorzaken. Inhalatiecorticosteroïden kunnen heesheid, irritatie en een schimmelinfectie geven. Sommige vernevelde antibiotica kunnen hoest of bronchospasme veroorzaken.

Stop de behandeling en handel volgens het spoedprotocol bij plotselinge ernstige benauwdheid, cyanose, bewustzijnsdaling, een sterk dalende saturatie, verdenking op canuleverstopping of een allergische reactie.

Documenteer na afloop:

  • medicijn en dosis;
  • gekozen route en hulpmiddel;
  • tijdstip;
  • cuffstatus indien relevant;
  • zuurstof- en beademingssituatie;
  • bijzonderheden tijdens de behandeling;
  • gemeten en ervaren effect;
  • bijwerkingen;
  • eventuele vervolgactie.

Veelvoorkomende fouten

Veelgemaakte fouten zijn:

  • inhaleren via mond of gezicht terwijl de patiënt volledig via de hals ademt;
  • een dosisaerosol rechtstreeks in de canule spuiten;
  • een HME tussen vernevelaar en patiënt laten zitten terwijl deze aerosol opvangt;
  • een natte of verstopte HME terugplaatsen;
  • meerdere pufjes tegelijk in een voorzetkamer spuiten;
  • de gasflow zonder voorschrift verhogen;
  • een spreekklep combineren met een gevulde cuff;
  • niet controleren of de canule doorgankelijk is;
  • medicatie mengen zonder controle op verenigbaarheid;
  • cuffdruk, zuurstof of beademing zelfstandig aanpassen;
  • geen effect of bijwerkingen vastleggen.

Samenvatting

Een tracheacanule vormt een directe ademweg via de hals naar de luchtpijp. De canule kan nodig zijn bij een blokkade, langdurige beademing, onvoldoende hoestkracht of na een operatie.

Wanneer een patiënt vooral via de canule ademt, moet inhalatiemedicatie meestal ook via de canule worden gegeven. Daarvoor kan een dosisaerosol met een passende voorzetkamer of een vernevelaar met een T-stuk of tracheostomiemasker worden gebruikt.

De dosis die de long bereikt, wordt beïnvloed door veel factoren. Denk aan het type apparaat, de aansluiting, gasflow, bevochtiging, canulemaat, cuffstatus en ademhaling. Onderzoek ondersteunt daarom het gebruik van een vaste en geteste werkwijze. De beste aanpak wordt per patiënt bepaald door een deskundig multidisciplinair team.

Veilige inhalatie via een tracheacanule begint altijd met drie vragen:

  1. Via welke route ademt deze patiënt werkelijk?
  2. Is de canule vrij en is de gekozen aansluiting geschikt?
  3. Volgen we het voorschrift, de gebruiksaanwijzing en het patiëntgebonden protocol?

Bronnen, referenties

  • Ari, A., Harwood, R., Sheard, M., Alquaimi, M. M., Alhamad, B., & Fink, J. B. (2016). Quantifying aerosol delivery in simulated spontaneously breathing patients with tracheostomy using different humidification systems with or without exhaled humidity. Respiratory Care, 61(5), 600–606. https://doi.org/10.4187/respcare.04127
  • Berlinski, A., & Cooper, B. (2015). Albuterol delivery via facial and tracheostomy route in a model of a spontaneously breathing child. Respiratory Care, 60(12), 1749–1754. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26286736/
  • Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease. (2024). Global strategy for the diagnosis, management, and prevention of chronic obstructive pulmonary disease: 2024 pocket guide. https://goldcopd.org/wp-content/uploads/2023/12/POCKET-GUIDE-GOLD-2024-ver-1.1_WMV.pdf
  • Kropp, Y., Barthel, K., Beck, G., Thiel, M., Tsagogiorgas, C., & Otto, M. (2026). Aerosol therapy in spontaneously breathing tracheostomized patients: An in vitro study. Die Anaesthesiologie, 75(1), 12–19. https://doi.org/10.1007/s00101-025-01618-2
  • Li, J., Gong, L., Ari, A., & Fink, J. B. (2024). Aerosol delivery to simulated spontaneously breathing tracheostomized adult model with and without humidification. Respiratory Care, 69(7), 847–853. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/38485144/
  • McIvor, R. A., Devlin, H. M., & Kaplan, A. (2018). Optimizing the delivery of inhaled medication for respiratory patients: The role of valved holding chambers. Canadian Respiratory Journal, 2018, Article 5076259. https://doi.org/10.1155/2018/5076259
  • Mussa, C. C., Gomaa, D., Rowley, D. D., Schmidt, U., Ginier, E., & Strickland, S. L. (2021). AARC clinical practice guideline: Management of adult patients with tracheostomy in the acute care setting. Respiratory Care, 66(1), 156–169. https://doi.org/10.4187/respcare.08206
  • National Health Service. (2023, 24 november). Tracheostomy. https://www.nhs.uk/tests-and-treatments/tracheostomy/
  • Shikani, A. H., Rohayem, Z., D’Adamo, C. R., & Miller, A. C. (2023). Linear versus turbulent airflow tracheostomy heat and moisture exchangers: A crossover study. The Laryngoscope, 133(12), 3422–3428. https://doi.org/10.1002/lary.30795
  • van den Boer, C., van Hooft, M. W. S., van den Brekel, M. W. M., & Hilgers, F. J. M. (2016). Active versus passive humidification for self-ventilating tracheostomy and laryngectomy patients: A systematic review of the literature. Clinical Otolaryngology, 41(6), 646–651. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26505471/
Terug naar overzicht