Alles over insuline • Zuster-055

E-learning

Alles over insuline

Soorten insuline

Je hebt verschillende soorten insuline, met elk een eigen werking dat betrekking heeft op hoe snel ze werken, wanneer ze een piekeffect hebben, en hoe lang ze effectief blijven. Hieronder een overzicht van de verschillende soorten insuline:

1. Snelwerkende insuline (Rapid-acting insulin)
Voorbeelden: Insuline lispro (Humalog), insuline aspart (NovoLog, Fiasp), insuline glulisine (Apidra).
Werking: Begint binnen 15 minuten na injectie te werken, piekt ongeveer 1 uur na injectie, en blijft 2 tot 4 uur effectief.
Gebruik: Wordt meestal genomen voor de maaltijd om de bloedsuikerspiegel die stijgt door het eten te beheersen.

2. Kortwerkende insuline (Short-acting insulin)
Voorbeelden: Regelmatige insuline (Humulin R, Novolin R).
Werking: Begint te werken binnen 30 minuten, piekt tussen 2 en 3 uur, en heeft een effect van ongeveer 5 tot 8 uur.
Gebruik: Wordt genomen voor de maaltijd en kan vaker worden gebruikt bij pomptherapie.

3. Middellang werkende insuline (Intermediate-acting insulin)
Voorbeelden: Insuline NPH (Humulin N, Novolin N).
Werking: Begint te werken binnen 1 tot 2 uur, piekt in 4 tot 12 uur, en blijft 12 tot 18 uur effectief.
Gebruik: Vaak gecombineerd met snelwerkende of kortwerkende insuline.

4. Langwerkende insuline (Long-acting insulin)
Voorbeelden: Insuline glargine (Lantus, Basaglar, Toujeo), insuline detemir (Levemir), insuline degludec (Tresiba).
Werking: Begint te werken enkele uren na injectie en heeft een vrij vlakke werkingsduur van 24 uur of langer.
Gebruik: Wordt meestal een keer per dag gebruikt om een constante hoeveelheid insuline in het lichaam te houden.

5. Ultra-langwerkende insuline
Voorbeelden: Insuline degludec (Tresiba).
Werking: Kan langer dan 24 uur werken, met een stabiele en voorspelbare afgifte.
Gebruik: Voor patiënten die behoefte hebben aan een zeer stabiele, langdurige insulinebasis.

6. Voorgemengde insuline
Voorbeelden: Combinaties van middellang werkende NPH insuline met kortwerkende of snelwerkende insuline (bijvoorbeeld NovoLog Mix 70/30, Humalog Mix 75/25).
Werking: Biedt zowel een onmiddellijke als een aanhoudende werking om zowel de maaltijd-gerelateerde als de basale insulinebehoeften te dekken.
Gebruik: Wordt meestal twee keer per dag genomen voor de maaltijd.

De keuze van het type insuline hangt af van de behoeften, levensstijl, het eetpatroon en de bloedsuikerspiegel van de zorgvrager.

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Opnamesnelheid van insuline

De volgende dingen hebben invloed op de opnamesnelheid van insuline:

1. Waar je de insuline spuit: Als je te diep of te oppervlakkig spuit, kan dat een verkeerd effect hebben.
2. Bewegen: Als je beweegt direct na het spuiten, kan de insuline sneller werken.
3. Warmte: Een warm bad of naar de sauna gaan kan maken dat de insuline sneller in je lichaam wordt opgenomen.
4. Roken: Roken kan de opname van insuline vertragen omdat het de bloedvaten vernauwt.
5. Problemen op de injectieplek: Als je bulten of harde plekken hebt op de plek waar je spuit, of juist kuilen, kan de insuline opname onvoorspelbaar zijn.
6. Injectieplek: Als je gewone insuline in je buik spuit, werkt het soms twee keer zo snel als in je bovenbeen. Bij een speciaal soort insuline, ‘analoge insuline’, maakt het niet uit waar je spuit.

Het is belangrijk goed op deze dingen te letten om te zorgen dat je insuline goed werkt.[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Insulineconcentratie en splitsen

Insuline wordt meestal geleverd in een sterkte van 100 eenheden per milliliter. Deze sterkte is overal ter wereld hetzelfde om vergissingen te voorkomen.

Je hebt geen vaste regels meer voor de maximale hoeveelheid eenheden die je per keer mag inspuiten. Het is dus niet meer zo dat als je 60 eenheden moet spuiten, je deze in 2x moet spuiten. 30 links en 30 rechts. Kijk altijd in de bijsluiter voor advies. Als je problemen hebt met inspuiten of als het pijn doet, kun je de hoeveelheid insuline verdelen over meer injecties. Gebruik elke keer een nieuwe naald.

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Bewaren van insuline

Gebruik insuline die op kamertemperatuur is. Bewaar extra insuline in de koelkast bij een temperatuur van 2 tot 8 graden Celsius. Bevroren insuline werkt niet meer en temperaturen boven de 35 graden Celsius moeten ook vermeden worden. Pas ook op voor temperatuurschommelingen, want die kunnen luchtbellen veroorzaken.

Insuline wordt bewaard in flesjes of patronen. Zolang ze nog niet geopend zijn, blijven ze goed tot de vervaldatum die op de verpakking staat. Eenmaal geopende flesjes of patronen kun je een aantal weken buiten de koelkast bewaren. Kijk in de bijsluiter hoe lang je de insuline kunt gebruiken nadat hij geopend is.

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Toedienen van insuline

Insuline kan op verschillende manieren onder de huid (subcutaan) worden toegediend:

1. Met een injectiepen: Deze pen is gevuld met een insulinepatroon en wordt gebruikt om insuline te spuiten.

2. Met een insulinepomp: Dit is een apparaatje dat verbonden is met een klein naaldje dat onder je huid blijft zitten. De pomp geeft dan steeds een beetje insuline af. Dit kan continu zijn of met tussenpozen.

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Geschikte injectiegebieden

Probeer rekening te houden met de injectiegewoonten van de cliënt. Geschikte injectiegebieden voor het subcutaan injecteren van insuline zijn:

  • de voorkant van de buik, tot aan de flanken
  • boven/buitenkant van het bovenbeen, handbreedte boven de knie vrijlaten
  • billen, bovenste buitenste kwadrant

In overleg met de behandelaar kan overwogen worden in de bovenarm te prikken.

Belangrijk dat je onderstaande regels in acht neemt!

  • Spuit ultrakortwerkende en kortwerkende humane insuline in de buik
  • Spuit middellange en langwerkende humane insuline in het bovenbeen of in de bil
  • Spuit humane mixinsuline ’s morgens in de buik en ’s avonds in het bovenbeen

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Afwisselen van injectieplaats

Lipodystrofie is een huidverandering die kan gebeuren als je vaak op dezelfde plek insuline spuit, dit noemen we ‘spuitplekken’. Je kunt lipodystrofie zien en voelen bij de plek waar je insuline spuit. Je hebt twee soorten:

1. Bulten en harde plekken: Dit heet lipohypertrofie. Dit komt vaker voor. Soms kun je deze bulten beter voelen dan zien. De huid is dan niet makkelijk samen te knijpen.

Wissel de injectieplaats systematisch af door rotatie om verandering van vetverdeling, ‘lipodystrofie’ en huidbeschadigingen te voorkomen.

2. Kuiltjes: Dit heet lipoatrofie, waarbij er kleine kuiltjes in de huid ontstaan.

Als je naar de huid kijkt, zul je bij normale huid zien dat als je het samenknijpt, de punten van een pincet dicht bij elkaar blijven. Bij een huid met lipohypertrofie staan deze punten verder uit elkaar.

[/vc_column_text][vc_column_text css=””]

Aandachtspunten toedienen insuline

Algemeen

  • Een insulinepen is voor strikt individueel gebruik.
  • De pennaald is voor eenmalig gebruik. Gooi deze na gebruik in de naaldenbeker.
  • Injecteer insuline altijd langzaam.
  • Dien de insuline bij voorkeur op kamertemperatuur toe. Dit geeft minder pijn en ongemak.
  • Bij een te ondiepe injectie kan insuline in de opperhuid terechtkomen. Dit kan leiden tot lekkage, onderdosering en huidschade. Bovendien is het pijnlijk.
  • Bij een te diepe injectie kan insuline intramusculair terechtkomen. Dit geeft een onvoorspelbare werking. Bij heel magere cliënten bestaat dit risico. Pas in overleg met de arts of de diabetesverpleegkundige de naaldlengte en/of spuittechniek aan. Je kunt ook in een ander lichaamsdeel dat meer onderhuids bindweefsel bevat spuiten.
  • Zorg dat er altijd een reserve-insulinetoedieningsvorm beschikbaar is.

Voor het injecteren

  • Observeer de huid voor het injecteren. Je observeert op tekenen van een verandering van de huid en het onderhuids bindweefsel. Injecteer nooit in een beschadigde huid.
  • Zwenk de insulinepen met troebele insuline minstens 10 keer heen en weer, zo nodig vaker. Doe dit totdat een volledig gemengd, egaal uitziende wittige substantie is bereikt. Dit is om afwijkingen in de samenstelling van de insuline te voorkomen. Heldere insuline hoeft niet gezwenkt te worden voor gebruik.
  • Vervang bij troebele insuline de patroon wanneer deze 12 IE of minder bevat. Bij minder dan 12 IE kan de insuline niet mengen.
  • Controleer of de injectiepen en de naald het doen. Dit wordt ook wel functietest genoemd. Dit doe je door een eenheid insuline weg te spuiten en dit te herhalen tot je een druppel aan de pennaald ziet. Spuit en/of schud de resterende insuline op een gaasje of tissue. Het verschilt per pennaald of de fabrikant aanbeveelt om de insuline naar boven of beneden weg te spuiten.

Na het injecteren

  • Laat de pennaald 10 seconden of langer in de huid na het toedienen van insuline, om eventuele lekkage te minimaliseren.
  • Masseer de huid niet. Massage kan het werkingsprofiel van insuline onvoorspelbaar beïnvloeden.
  • Laat de cliënt de injectieplaats gedurende 20 seconden stevig aandrukken om een subcutaan hematoom te voorkomen.
  • Haal de pennaald direct van de insulinepen af zodra de naald uit de huid verwijderd is. Dit voorkomt lekkage van insuline uit de penvulling en het voorkomt dat er lucht in de penvulling komt.

[/vc_column_text][vc_video link=”https://www.youtube.com/watch?v=wDgPLwIlNeA” css=””][vc_column_text css=””]

Praktijk – Toedienen van insuline met pen

Dit heb je nodig

  • toedienlijst en uitvoeringsverzoek
  • insulinepen
  • pennaald passend bij de pen
  • gebruiksinstructie insulinepen
  • gaasjes
  • naaldenbeker
  • afvalbak

Voorbereiding

  1. Pas handhygiëne toe.
  2. Maak een schoon werkveld en zet daarop de benodigdheden binnen handbereik.
  3. Verwijder de beschermdop van de voorgeschreven insulinepen.
  4. Controleer of er voldoende insuline in de insulinepen zit. Neem zo nodig een nieuwe voorgevulde (wegwerp)insulinepen.

Maak de insulinepen klaar voor gebruik

  1. Meng troebele insuline door de pen voor gebruik minimaal 10x te zwenken, niet schudden.
  2. Verwijder de beschermlaag van de naaldverpakking.
  3. Draai de naald nog in de naaldverpakking op de insulinepen.
  4. Verwijder de verpakking van de naald.
  5. Ontlucht de insulinepennaald en controleer of er insuline door de pennaald komt. Spuit daarvoor insuline weg tot je een druppel ziet. Meestal is 1 of 2 IE voldoende. Soms is er wat meer nodig. Spuit en/of schud de insuline op een gaasje.
    1. Draai de doseerknop van de insulinepen naar 1 of 2 IE insuline.
    2. Houd de insulinepen met de pennaald naar boven of beneden. Druk met de duim de doseerknop in tot er een druppel insuline op de punt van de pennaald verschijnt.
    3. Herhaal zo nodig tot een druppel insuline op de punt van de pennaald verschijnt.
    4. Vang de resterende insuline op met een gaasje.
  6. Stel het juiste aantal eenheden insuline in volgens de gebruiksinstructie van de insulinepen Dit doe je door de doseerknop naar het gewenste aantal IE insuline te draaien.

Controleer het medicijn en laat een dubbele controle doen

  1. naam en geboortedatum van de cliënt
  2. vervaldatum/houdbaarheid
  3. wanneer van toepassing: kleur en substantie
  4. vergelijk het medicijn met de toedienlijst:
    1. naam van het medicijn
    2. manier van toedienen
    3. dosering
    4. datum en tijdstip van toediening

Controleer de injectieplaats

  1. Vraag de cliënt de injectieplaats te ontbloten en zich te ontspannen, of help daarbij.
  2. Palpeer de injectieplaats en controleer of de injectieplaats schoon, droog en onbeschadigd is.

Injecteer de insuline in het subcutane weefsel. Dit kan op twee manieren:

1: Zonder huidplooi

  1. Pak de insulinepen.
  2. Steek de naald loodrecht in de huid in het onderhuids weefsel.
  3. Fixeer de pen om onverwachte bewegingen op te kunnen vangen.
  4. Let op: zorg ervoor dat je dezelfde druk blijft uitoefenen tijdens het injecteren.
  5. Druk met de duim van de injecterende hand de doseerknop van de insulinepen in. Houd de doseerknop ingedrukt.
  6. Laat de pennaald minstens 10 tellen in de huid om alle insuline goed in te laten stromen.
  7. Controleer of de doseerknop op 0 staat.

2: Met huidplooi

  1. Neem de insulinepen in de injecterende hand. Houd je hand zo dat je met je duim bij de doseerknop kunt.
  2. Pak met de niet-injecterende hand een brede huidplooi op.
  3. Steek de naald loodrecht in de huid in het onderhuids weefsel.
  4. Let op: zorg ervoor dat je dezelfde druk blijft uitoefenen tijdens het injecteren.
  5. Druk met de duim van de injecterende hand de doseerknop van de insulinepen in. Houd de doseerknop ingedrukt.
  6. Laat de pennaald minstens 10 tellen in de huid om alle insuline goed in te laten stromen.
  7. Controleer of de doseerknop op 0 staat.

Je mag zelf bepalen welke techniek je toepast.

Verwijder de naald uit de huid

  1. Trek de pennaald uit de huid.
  2. Laat de huidplooi los als je de huidplooitechniek hebt gebruikt.
  3. Houd een gaasje gereed om een eventuele bloeddruppel op te vangen. Masseer de huid niet.
  4. Verwijder de pennaald en doe deze in de naaldenbeker.
  5. Plaats de beschermdop op de insulinepen.

Afronding

  1. Ruim de materialen op.
  2. Pas handhygiëne toe.
  3. Teken de toedienlijst af of noteer datum, tijdstip, soort medicijn, concentratie, hoeveelheid, wijze van toediening. En noteer eventuele bevindingen.

[/vc_column_text][vc_video link=”https://www.youtube.com/watch?v=XoqdLPzZbhc” css=””][vc_column_text css=””]

Referenties

  • EADV (2017). Het toedienen van insuline met de insulinepen (Herziening van de versie uit 2008). Utrecht: EADV
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (2018). NHG-standaard Diabetes mellitus. Vierde (partiële) herziening. Utrecht: NHG, noot 99.4.
  • BD (2010). Nieuwe aanbevelingen voor injecties bij mensen met diabetes. Erembodegem: BD. Gebaseerd op: Frid, A., Hirsch, L., Gaspar, R., et al. (2010). New injection recommendations for patients with diabetes. Diabetes & Metabolism, 36, S3-S18.
  • EADV (2017). Het toedienen van insuline met de insulinepen (Herziening van de versie uit 2008). Utrecht: EADV.
  • Kreugel, et al. (2013). Meer veiligheid in het ziekenhuis met veilige pennaalden. EADV Magazine.
  • Nederlands Huisartsen Genootschap (2018). NHG-standaard Diabetes mellitus. Vierde (partiële) herziening. Utrecht: NHG.
  • Strauss, K. (2012). WISE recommendations to ensure the safety of injections in diabetes. Diabetes & Metabolism, 38, S2-S8.