Niet elke sonde is hetzelfde
In de praktijk wordt soms gesproken over “de PEG-sonde”, alsof er maar één soort bestaat. Dat klopt niet. Er zijn verschillende soorten sondes en elk type heeft eigen aandachtspunten.
Dat betekent ook dat de regels voor dompelen en draaien kunnen verschillen.
Hieronder staat een duidelijk overzicht.
1. PEG-sonde met interne fixatiedisk
Bij dit type sonde zit aan de binnenkant een fixatiedisk. Deze disk ligt tegen de maagwand aan en houdt de sonde op zijn plek.
Wat mag je doen?
-
Dompelen: ja
-
Draaien: nee
Waarom wel dompelen?
Door de sonde voorzichtig naar binnen te duwen, komt de fixatiedisk even los van de maagwand. Dat helpt om te voorkomen dat de disk in de maagwand groeit.
Waarom niet draaien?
Draaien kan zorgen voor irritatie of beschadiging van het weefsel. Daarom wordt dit bij een PEG-sonde met interne fixatiedisk niet gedaan.
2. PEJ-sonde
Een PEJ-sonde is een sonde die verder doorloopt tot in het jejunum. Dat is een deel van de dunne darm. Deze sonde wordt gebruikt als voeding niet goed in de maag kan blijven of als voeding direct in de darm nodig is.
Wat mag je doen?
-
Dompelen: ja
-
Draaien: nee
Ook hier geldt dat dompelen soms nodig is, maar draaien niet.

3. PEG-J sonde
Een PEG-J sonde is een combinatie van een PEG en een jejunumsonde. De sonde komt via de buik in de maag, maar loopt verder door naar de dunne darm.
Wat mag je doen?
-
Dompelen: ja
-
Draaien: nee
Ook bij deze sonde is voorzichtig handelen belangrijk. Draaien is niet de bedoeling.
4. PEC-sonde
Een PEC-sonde is een sonde die in de dikke darm wordt geplaatst. Deze sonde wordt minder vaak gezien dan een PEG-sonde, maar vraagt wel om duidelijke zorgafspraken.
Wat mag je doen?
Bij een PEC-sonde is de afstand van het dompelen dus kleiner dan bij een PEG-sonde.

5. Sonde met fixatieballon
Sommige sondes hebben geen vaste interne disk, maar een ballon. Deze ballon houdt de sonde van binnen op zijn plaats.
Wat mag je doen?
Omdat een ballon anders werkt dan een vaste disk, kunnen de afspraken hier anders zijn. Het is belangrijk om goed te weten welk type sonde de cliënt heeft en wat hierover is afgesproken.
6. Button
Een button is een korte, laagprofielsonde die dicht op de huid zit. Deze valt minder op dan een gewone PEG-sonde en wordt vaak gebruikt als de fistel al goed gevormd is.
Wat mag je doen?
Ook hier geldt: volg altijd de instructies van de behandelaar of het protocol.
7. Jejunostomiesonde
Dit is een sonde die rechtstreeks in de dunne darm ligt.
Let op:
-
Niet dompelen
-
Niet draaien
Dit is een belangrijke uitzondering. Bij een jejunostomiesonde kunnen dompelen en draaien schade veroorzaken. Daarom mag je deze handelingen niet zomaar uitvoeren.
Waarom is dompelen bij sommige PEG-sondes belangrijk?
Bij sommige PEG-sondes is dompelen een belangrijk onderdeel van de verzorging. Dat heeft vooral twee redenen.
1. Voorkomen van buried bumper syndrome
Een bekende complicatie is het buried bumper syndrome. Dat betekent dat de interne fixatiedisk in de maagwand groeit. De disk komt dan als het ware vast te zitten in het weefsel.
Dat kan zorgen voor:
Door op de juiste manier te dompelen, verklein je de kans dat dit gebeurt.
2. De sonde beweeglijk houden
Een sonde die te lang op dezelfde plek strak tegen de wand ligt, kan vast gaan zitten. Door voorzichtig te dompelen, blijft de sonde mobiel en voorkom je verkleving.
Hoe vaak moet je dompelen?
Er is niet voor elke cliënt één vaste regel. De frequentie hangt af van:
Vaak gebeurt dompelen bijvoorbeeld:
De belangrijkste regel is:
doe dit volgens afspraak met de behandelaar en volgens het geldende protocol.
Wanneer moet je niet dompelen?
Dompelen is niet altijd veilig. Er zijn situaties waarin je dit juist niet moet doen.
Dompel in ieder geval niet zomaar als:
-
de sonde net geplaatst is
-
de cliënt pijn heeft bij bewegen
-
er roodheid, irritatie of ontsteking is
-
je weerstand voelt bij het naar binnen duwen
-
er twijfel is over het type sonde
-
er geen duidelijke afspraak is in het dossier of protocol
Bij twijfel geldt altijd: stop en overleg.